dinsdag 7 april 2009

Sofokles nu

 
Hoi, ik ben Oidi! En ik hink naar Thebe.
Trala lala la.

Een pikzwarte sfinx! In laarzen en leer!
Oei...
Vraagt me slaperig, kauwend op vlees:
—Wat gaat ’s ochtends op vier zachte, ’s middags op twee sterke, en ’s avonds op drie stramme benen?
En ze slikt door, en gaaaapt...
Tanden. Een rode gang.

—Eh... een man? zeg ik. Een man!
Eitje. De vraag is een open doel.
—Raak! gilt ze, met zó’n vreugdesprong en vleugelslag, dat de luchtverplaatsing me omkiepert. Een man, ja! Helemaal raak!
Ik sta weer op. Zeg:
—Logisch, toch?
—Niet, dus! Allemaal antwoordden ze ‘de Mens’!
—Ga weg!
—Eerlijk, Oidi! Dat wil je niet geloven! Domme veralgemenisering. Het werd hun dood. ‘Mens’ is een list, Oidi. ‘Mens’ is de tophit onder de mannenlisten... O, hoor mij nou! Kom hier, lieverd, met je rechte hersentjes! Je hebt me verslagen, de Sfinx van de Aarde! Mijn leer kan af, hop! Mijn laarzen gaan uit, hop! Dit, Oidi, dit, voilà! – is je poes.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen