dinsdag 2 oktober 2012
Joyce' 'The Dead' komt naar Nederland in nY #15
"Another Fine Mess"
zaterdag 7 april 2012
nY #13 is verschenen
Het algemeen kiesrecht, vrucht van de Eerste Wereldoorlog, maakte de massa een macht, en dat transformeerde alles, dus ook de literatuur – gebieden waar de Muze zich eerder nooit vertoonde, werden nu door haar aangedaan, en in het werk van Boon zien we een ware explosie van strooptochten. Boon is de bezeten Napoleon van de Vlaamse literatuur tussen 1940 en 1960, zijn grote periode. Dat tijdsgewricht – de Koude Oorlog en zijn botsing van ideologieën, de dreiging van de Bom, de prille start van de consumptiemaatschappij, de geleidelijke amerikanisering van West-Europa, de beginnende deconfessionalisering – zette de gevoelige seismograaf toen het vruchtbaarst onder druk. ‘Alleen wat uw ogen over deze wereld en deze tijd en deze mens hebben waargenomen moogt ge op papier brengen: dat is uw sterkte en uw roem, uw rots die niet in de storm zal vergaan.’ Zijn werk staat nog overeind, ook in 2012 bij zijn honderdste verjaardag.
Maar toch - tussen Boon en mij botert het niet.
De presentatie, die zeer gevarieerd was, vond plaats in café Kiebooms, waar iemand een mooie foto heeft gemaakt tijdens mijn voordracht (ik deed een hoofdstuk uit De Kapellekensbaan en mijn eigen Geistertrio).
donderdag 12 januari 2012
No Community without Enemies (1994)
zaterdag 17 december 2011
Belletrie en het Beest (2/2)
‘En?’ vroeg hij, snuivend als een bokser. ‘Hoe was ik?’
‘Schitterende kopij, Planetaire Excellentie!’ loofde ik. ‘U heeft me erg geïnnoveerd. Voor zover ik dat nu al calculeren kan, ben ik niet meer dezelfde.’
Ik loog niet: ik voelde me afgerond, eigengereid en ijzersterk. Des te meer zaak te verdwijnen en in druk te verschijnen. Ik klapte mijn computer dicht, hing hem weer om mijn nek, en stond op.
‘Dus – terug naar de ‘levenden’?’ spotte hij nieuwsgierig, toen hij mij gedecideerd naar het heldenluikje zag loeren.
‘Levenden, inderdaad, bij m’n terugkeer...’
Welnu, òf hij begreep dit niet, òf hij had niet geluisterd, want plotseling riep hij:
‘Geef me je armen, grote onbekende, en dans met mij! Alsjeblieft. Doe die machine nog eventjes weer af! Ik heb nodig. Wees lief, voor je gaat! Wil je dat?’
‘Helaas. Geen tijd, geen ruimte. Ik heb een deadline en 3000 woorden.’
‘Doe niet zo streng! Toe! Ik hou het kort! Kijk es omhoog, bloeiende, blikvernauwde heros, kijk omhoog, en zie hoe je Macht hier ontbeert!’
Hij knikte zielig naar boven, en deed een dramatisch stapje opzij. Zichtbaar, nu, op een stuk plafond achter hem was een wazig tafereel – de Macht met een smalle gestalte in poezelig bont, dansend op het gras.
‘O ja’, zei ik koeltjes. ‘En wie is die ander?’
‘Was!’ riep hij smartelijk. ‘M’n onvergelijkelijke wederhelft! We zijn gescheiden. Gelukkig wordt de afbeelding al eeuwen werkelijker. Dat troost me.’
‘Hm. En de schilder?’
‘Al je voorgangers hebben meegeholpen!’ antwoordde hij met een verwijtende bijklank, en wipte zich toen snel tussen mij en mijn uitgang.
‘Hallo!’ riep ik. ‘Spelletjes?!’
‘Kom, gun mij wat fijne gedeelde beweging! Toe dan! Pas wie mij pakt, kent zijn kracht! Echt!’
We stonden tegenover elkaar, hij – kwetsbaar, ik – strak. Moest ik aardig zijn? Of wierp ik hem omver? Stinken deed hij niet... Ik besloot tot een allerlaatste omhelzing van mijn verflauwde, verouderde waarheid, om deze klinkend te hebben overwonnen.
‘Akkoord dan’, zei ik.
‘Een humane beslissing!’ prees de Macht, gloeiend van opwinding.
Ik legde mijn laptop in een hoek, uit de route, en vatte de aandoenlijke boom voorzichtig om zijn stam, hoewel me dat slechts voor driekwart lukte.
‘Ah!’ zuchtte hij desondanks tevreden boven mij, en neuriede Just in time, I found you just in time.
Langzaam en vloeiend dansten we door de grot. Ik leidde. Eén keer waren we bijna gestruikeld. De arme, ontwortelde reus was warm geweest, en gevaarlijk vertrouwd, maar ook – onaangenaam kleverig.
‘Hé daar!’ fluisterde hij opeens, middenin een zwenkende beweging, na een lange tijd van gemeenschappelijk zwijgen. ‘Ik wéét het, hoor, tikkertje...’
‘Wat?’ vroeg ik dromerig.
‘Dat je geen journaille bent. Je hebt jezelf verraden: je praat te ingewikkeld... Maar wat ben je dan wèl? Wees es eerlijk!’
Dom. Ik had mezelf dus ontmaskerd in mijn woorden. Maar och, wat had ik nog te verliezen?
‘Goed dan, beste Macht!’ zei ik trots, met opgeheven hoofd. ‘Ik beken, ik litereer. Ik ben je verdichter, niet je reporter.’
Hierop haalde hij zó diep adem, dat mijn hele gezicht aan zijn lijf bleef plakken. Hoogst onsmakelijk.
‘Dàcht ik het niet!’ riep hij vergenoegd. ‘Dat yang van jou is dus een literair tijdschrift! Jij schrijft!?’
‘Ja.’
‘Waarom? Je bent geen man.’
‘Nee. En ook geen vrouw.’
We voltooiden een bocht, en ik keek, na me weer met moeite los te hebben getrokken, glimlachend naar hem op voor zijn verblufte reactie. Maar – hoorde hij dan niet wat ik verklapte? Begreep hij met wie hij hier, innig haast, zwierde?!
‘Luister!’ commandeerde hij, letterlijk neerbuigend. ‘De schrijver in absolute zin is een man, begiftigd èn behept met een explosieve scherpte van voelen en denken, die zich alfabetisch een uitweg zoekt! Hij is sociaal doodziek, maar – op energieke wijze, een ABC-bom van onvrede, een taalmassawapen! Alle geschiedenis is het kruisen van mannen, hun onafgebroken en niet af te breken apostolische successie! En dat is bij jouw ‘belletrie’ niet anders. Leer mij de schrijvers kennen!’
‘I will, beste Macht.’
‘O o o, wat dreigend, geroepene! Maar – wie gaf jou de opdracht? Ik niet.’
‘Niet meer! Vergeet u zo gemakkelijk? U wordt oud!’
Hij zweeg, verblekend. Een polsdikke ader klopte nerveus. De sfeer was toch vliegensvlug verduisterd. We dansten nog wel, maar mechanisch. We gooiden de sloffende, schuifelende echo’s van ons mini-bal rond door de grot, maar waren bijna vergeten dat we dat deden, dat we daar waren, een kibbelende foetussentweeling, ritmisch in een hun onbewuste ruimte.
Ook bemerkte, in het bijzonder, ìk nog niet dat feitelijk de Macht nu leidde, omdat ik onlosmakelijk aan hem vastzat...
‘Mijn grootste opdrachtgevers’, verkondigde ik luid, ‘laten zich grofweg benoemen als ‘permanente onmin met de tragikomedie van het leven’ en ‘verzet tegen de robuuste schijnnatuurlijkheid van elke status quo’, als ‘het onuitdoofbare visioen van een andere wereld’ en ‘afgrondelijke lol in maken en breken met het materiaal taal’! Ik ben dus profetische tegenspreker evenzeer als militante voorspraak! Al het totnogtoe-menselijke is mij heden vreemd, want: zou als zwakte en vooroordeel de waarheid van onze planeet afbreuk doen’!
‘Maak dat de Dood wijs!’ lachte de Macht. ‘Hoe heet jij eigenlijk, wezen?’
‘Is dat belangrijk? Alles is context. Namen zijn niks.’
Toen (van buiten? hoe?!) schetterde de bliksem van de wanden! Ik knipperde verschrikt, klaarwakker. En als een drang uit de ingewanden der Aarde, rolde, rommelde er iets in repliek door de grond, een donder die ik meer voelde dan hoorde. Alle goden van boven en beneden! Hadden wij tweeën, onvoorzien, ongewild, Gaia’s titanen gewekt?
‘W-wat is dat allemaal?’ riep ik.
‘Gewoon negeren’, suste de Macht.
We stonden stil. Mijn hart bonsde. O, ik moest hier zo spoedig mogelijk weg! Als de natuurtoestand zo confronterend zou wijzigen, dan kwam deze cultuurproducent misschien nooit meer thuis! Ik wilde me stante pede van hem losweken, mijn gevulde laptop grijpen en door het heldenluik kruipen, en kon het niet! Ik zat muur- en muurvast! Angstig keek ik omhoog.
‘Tja,’ grijnsde de Macht ongenaakbaar, ‘je probleem is nu wel erg dichtbij, niet, reine dwaas?... Ik ben het Licht! En de spin erin! Spring! Spring!’
Ik moest wel volgen, ademloos. Ik had een gigantische paling tussen mijn armen. Soms vloog ik mee, bocht in, bocht uit, soms bleef ik aan de grond, tot zijn juichende genoegen. Straks verpletterde hij mij! Rond en rond en rond.
‘Ik ga je dopen!’ beloofde hij. ‘Dan los je op, en word je een deel van mijn vloer! Spring! Spring! Ik ben er bijna! Spuit! Spuit! O, ik zalf jou! Ik val op jou!’
Alweer – bliksem. Gelijk daarop – donder. De grond begon te schudden, gedeeltelijk te scheuren. Duizelig en doodsbenauwd keek ik omhoog en zag dat de afbeelding op het plafond nu een levensechtheid vertoonde die er eerder niet was. Ze leek te bewegen.
‘Macht!’ gilde ik met alle stem die ik nog bezat. ‘Laat me los, alsjeblieft, en laat me gaan! Je doel is bereikt! Ik zie je wederhelft tot leven komen!’
‘Nee!’ riep de Macht. ‘Geen leven!’
Hij stopte zo abrupt, ik reet wervelend van hem los, een lang stuk huid nog aan me, en belandde eronder op de vloer. De Macht, ook languit, lag onbeheerst te kermen.
Hoog boven ons zweefde – beeld, origineel? – de gestalte in bont nu vrij tegen het gapende plafond.
De Macht klaagde verontwaardigd:
‘Dat vervloekte wezen zei Ik litereer, toch?!’
‘Klopt’, zong de onvergelijkelijke met een fluitende, boosaardige stem. ‘Het vergat alleen een voorvoegseltje.’
‘...’
‘Het oblitereert.’
‘Wie, wat is het dan?!’
‘Het is de Nul, sul.’
‘De Mens!’
En tegen mij zei ze:
‘En nu als de wiedeweerga terug naar de levenden!’
De grot kantelde ons eruit.
Een Huis met vele kamers. Een gazon ervoor. Een tafeltje met een man en een vrouw en twee computers. Het hek ligt om, door de bloedeloze val van een binnenaards schepsel. Publiek staat onzeker te turen.
‘Je bent een echte kut!’ lacht de vrouw.
‘Je bent een echte lul!’ lacht de man.
‘Allez!’ zegt de vrouw, en ze heft haar handen. ‘Laten we geschiedenis schrijven!’
donderdag 15 december 2011
Belletrie en het Beest (1/2)
donderdag 8 december 2011
Ooteoote
zondag 7 augustus 2011
nY #10 verschenen
zaterdag 19 februari 2011
Bespreking 'Voor mij ben je hier'
maandag 13 december 2010
Kleine mijlpaal - eerste boekpublicatie

Zaterdag 11 december jl. was de officiële presentatie van de verhalenbundel 'Voor mij ben je hier', bij de Stichting Perdu. Ik ben erin vertegenwoordigd met het verhaal 'Schaduw en ex', dat de lezer voor het eerst de kernlocatie van mijn literaire wereld toont - de stad Hoefbeek, een emblematische combinatie van verschillende Nederlandse steden. Op de site van de Werkgroep Caraïbische Letteren staat een mooi verslag van deze, voor mij, gedenkwaardige avond, waar ik graag naar link. Ter correctie nog even dit - niet Rilke en Mann noemde ik bij mijn paneloptreden, maar Joyce en de Westerse literatuur in het algemeen.
Update: de Wereldomroep heeft een artikel over de presentatie, plus interviews. Om 4:51 - schrijver dezes.
zaterdag 13 november 2010
Geistertrio
I.
De macht kan niet zonder reclame voor haar aanwezigheid, geen god zonder doorgeefluik. Alle jongetjes in voetbalshirt zijn priesters die betalen voor de beeldpreek die ze zelf houden. De heilige van toen is de superster van nu, en belichaamt in optima forma de waarheid die de macht nodig heeft ter verhulling van haar leugen. Geile girlpower is wel het slimste masker totnogtoe van het eerbiedwaardige patriarchaat. En blank is zelfs nog de kleurigste regenboog. Heilige en superster scherpen ons in wat we van de macht belangrijk moeten vinden – goedheid toen, roem nu. De goedheid is de triomf van de deugdzaamheid, waarin de Kerk nooit uitblonk. De roem is de triomf van de totale zichtbaarheid, waar de macht juist in het donker huist. Zij heeft haar koude dode lichaam geheel gesluierd en dwingt alle leven tot naaktheid, het blote niksie. We moeten te allen tijde worden gezien, ook voor het misdaadprogramma. De macht werft dus altijd met de keerzijde van wat ze beoogt, vervolgt altijd datgene wat ze zelf is en kraait dan dat de vijand is verslagen. En daar offert ze miljoenen aan op. Geen beter bewijs van haar vitaliteit dan de vernietiging. De macht is de bescherming, indien we gehoorzaam zijn, tegen de dood die ze ons ontijdig aan kan doen – een dialectische en waarlijk maffiose protection racket.
II.
Ik droom dat het donker is. Ik kom van de Ten Katemarkt, samen met een man die beweert dat het gedaan is met de revolutie. Als ik zeg dat ik daar anders over denk, lacht hij alleen maar en loopt door. Ik arriveer bij de portiek van Hasebroekstraat 20, het thuis van mijn eerste veertien levensjaren. Een moeder en twee kinderen moeten er ook zijn. Ik open de deur en laat hen voorgaan in de donkere gang. Er hangt een vreemde, licht verschaalde lucht en op de grond liggen snippers van kranten. Ik zie een kat, de al decennia dode Poppie, en concludeer dat hij de kranten verscheurd moet hebben. De moeder en de twee kinderen zijn intussen al de trap opgegaan. Ik roep: ‘Het is hier wel erg donker!’, en rek me uit naar een knop die zich plotseling vlak boven mijn hoofd bevindt – geen licht. Twee katten zie ik nu, ze hollen de oude, houten trap op. In de duisternis ga ik achter ze aan, naar boven. De moeder en de twee kinderen, meen ik zeer zeker te weten, zijn op eenhoog. Ik buig met de trap mee, naar rechts, en zeg: ‘Nou, het licht wil niet aangaan, misschien volgende keer beter!’ De vrouw, niks dan haar gestalte, haar gezicht onzichtbaar, draait zich om met een kort en smalend ‘Ha!’ en staat dan vlak voor me. Ik voel haar koude adem, en haar twee duimen, in mijn keel.
III.
Schepper is het oudste beroep van de mannenwereld. Mooie tijden, waarin een half-negentiende-eeuwse, nog maar half-doorgerationaliseerde wereld je emblematische epifanieën kon geven. We leven in een ontnuchterend geheel van honderdduizenden beslissingen. In onze gemaakte wereld ontstaat niets zomaar en mag ook niets zomaar bestaan. Ruimte is geld. De boompjes zijn gewild, weten hun plaats, rillende kinderen. De werkelijkheid ‘betrap’ je amper, ze is permanent ‘in project’ en je struikelt over de tekentafels, wordt bebeukt door de al dan niet geslaagde vlagen van brainstormsessies. De waterwolf van toeval en spontaniteit wordt dagelijks bevochten. Planning heeft de 'landjes', de stukken nog oningevulde leegte tussen de huizen waar de kinderen konden spelen, uit de buurten verdreven. De zwerfhonden zijn verdwenen. En het geluid van een paard-en-wagen in de straat, op weg naar een stal aan de Kostverlorenkade. Nog verkopen zwervers krantjes met de blijde boodschap van hun dakloosheid. Zo helpt cosmetica het verminkte gezicht. Maar ook de armoede zal verhuizen, desnoods onder de groene zoden, de goedkoopste sociale woning. Wie de tekst van de westerse werkelijkheid nu deconstrueert, reconstrueert teams en intenties. ‘Publieke ruimte’ wordt allengs synoniem met ‘gemonitord interieur’. Alle wegen leiden naar stilstand en transactie. Het voetgangersgebied is tippelzone, de bepollerde straat één lokkende kleefstrip van party’s, braderieën, evenementen en terrassen, beveiligd. Door de autoluwe kernen circuleert eindeloos het geld, rollen de burgeroogbollen omhoog naar vervoering, verlichting en geluk. Maar de wenkende hemel is satellieten en afval. En de stad, trillend van actie als een liefdesnest, is een kunstig ervaringenweb, volbevliegd, in de open poort van de dood. Haar toekomst ligt nog slechts in haar goed bereikbare verleden.
CODA
Het westen, vergrijzend en verstard, blondeert zich en voert zijn eenoog blauwe pillen. Godvorm en Geldvorm, twee blinde reuzen, strompelen stampend over de Aarde, met grote vreze. Daagt er nog iets in het verre oosten? The dream is over. En de nieuwe eeuw ontmaskert de bodemloze macht, brengt ons eindelijk de mens, of een mislukte soort zijn geheel verdiende niets.
De toekomst van de planeet is bruin.
maandag 1 november 2010
Persoonlijk IM HM
De Tweede Wereldoorlog, als het nationale trauma en de eenheidstichtende mythe van het naoorlogse Nederland, is nu definitief beëindigd, ondanks het feit dat er nog andere schrijvers zijn die hem ook hebben beleefd en erdoor zijn getekend. Het laatste lid van de literaire Heilige Drieëenheid is weg. Op zo'n ogenblik houd je toch even je adem in om te begrijpen waar je bent en hoe het verder moet.
Van de 'Grote Drie' is het altijd Hermans geweest die mij het meest heeft geraakt. Qua wereldbeeld en stijl heb ik niet veel met hem gemeen, maar er is een gevoeligheid in hem, die mij altijd heeft ontroerd. Daarnaast is hij een Friese stijfkop en een kankerende Amsterdammer, en met beiden heb ik verwantschap. Friesland zit van moederszijde in mijn stamboom en de Kinkerbuurt waar Hermans opgroeide, is ook de buurt van mijn jeugd. Daarnaast trouwde Hermans met een Surinaamse, en heb ik me heimelijk daarom altijd zijn literaire zoon gevoeld. Toen hij stierf, in 1995, stierf zoiets als mijn geestelijke vader (73 jaar oud, net zoals in 2002 mijn biologische, Surinaamse, vader). Tegelijkertijd wist ik ook meteen dat de weg voor mij nu open lag, want 'Nederland' als thema, dat was voor mij Hermans' territorium. Dat ik even later de eerste oerversie van de Cycloon schreef, is dus niet verrassend.
Mulisch is voor mij als schrijver nooit zo essentieel geweest. Maar zijn onhollandse ambitie, zijn mythologiserende vermogen en internationale geörienteerdheid herken ik. En valse bescheidenheid heb ook ik niet. Alleen de 'Umsetzung' van dat alles is voor mij nooit een voorbeeld geweest (dat is geen enkele Nederlandstalige schrijver, ook Hermans niet, vanwege de grote invloed van het Modernisme op mij...) Ik bewonder zijn ideeënrijkdom, de knapheid van zijn structuren, zijn ijver. In het Pantheon zit hij zeker, verschillende werken zullen zijn naam levend houden.
De Nederlandse literatuur gaat verder zo lang er Nederlands gesproken wordt. Mulisch heeft een blijvende bijdrage geleverd. Het is aan alle levende en nog ongeboren schrijvers en schrijfsters hun best te doen, om hem te benaderen, te evenaren, te overtreffen in deze nog nieuwe en zware eeuw.
dinsdag 22 juni 2010
Overdrijven is een vak
Dan, voor me, treuzelt een statig, hoogbejaard mens, hardop beraadslagend. Die zie je anno 2013 niet vaak meer in het wild. Ik heb eerbied voor haar sieraden. Waarom jij wel en mijn ouders niet? Sommigen hebben ook alle geld van de wereld! Eindelijk, eindelijk heeft ze tot de koop van een duur merk steunkousen besloten en kan ik erlangs. Ik moet dit geval maar eens even met de afdeling Vergrijzingsbeheersing opnemen (hetgeen ik meteen de dag daarop heb gedaan: het gewacht had mij namelijk, workaholic als ik ben, een goede gelegenheid verschaft om haar streepjescode te noteren).
De werkelijkheid doet altijd haar best de profetische satire in te halen. Helaas.
maandag 17 mei 2010
De schrijver praat u een beetje bij
Mijn leven is niet opwindend. Dat maakt het 'bijhouden' van een blog dan ook lastig. Ook jaag ik niet op ervaringen om iets te schrijven te hebben. Ik heb voor mezelf een levensdoel - de wereld waar ik deel van ben zo goed mogelijk te begrijpen plus enkele houdbare teksten te schrijven - en onderweg kruis ik het pad van talloze andere reizigers. Er is contact, uitwisseling, inzicht, conflict, plezier, woede. Zo word je verder bijgeslepen, slijp je anderen bij, en ga je verder. The End.
Al mijn intellectueel en emotioneel bewuste jaren kenmerken zich door hollen noch stilstaan - er is een beweging, een trage maar zeer gestage vordering, soms een triomfantelijke mars en een duizelende vlucht. Soms is er vertwijfeling, de vraag naar de uiteindelijke zin van überhaupt te willen schrijven voor een wereld die steeds minder wil lezen; soms is er euforie als de compromisloze inzet wordt beloond met aandacht, begrip, ja, zelfs geld. Dr. Johnson, de grootste Engelse criticus, zei ooit No man but a blockhead ever wrote except for money. Dan ben ik tot het jaar 2000 de grootste dombo geweest. Maar in die jaren van onbezoldigd moeten schrijven heb ik wel de grondslag gelegd voor alles wat men de komende tijd nog van mij zal gaan lezen.
Zoals 'Schaduw en ex', te verschijnen in een bundel van Meulenhoff, dit najaar.
zondag 9 mei 2010
Ledenbijeenkomst
de jonge vrouw
liep stijfjes snel
de ruimte door
op lange benen
hij zag nog niet
dat hij haar zag
alleen maar lieflijke
misplaatstheid:
plotseling vernietigde
de vergaderzaal
de poëzie
onvolledig
maar nog
was ik te dicht
toen je gezicht
verscheen
maandag 8 maart 2010
Ode aan een fictief Den Haag (uit Door het Oog van de Cycloon)
Ooit zo deftig, ooit zo dicht, was de Residentie in deze nieuwe eeuw brutaal en open geworden, een streberige waagal met grootschalig profiel. Ze had het grijsbruingroene imago van ambtenaren en geriatrie, kale kak en speelgoedofficieren furieus de Noordzee in gespoeld. De burgerlijke bakens verzet, de etnische pool roekeloos gemixt, en soms, op de koop toe, moedig bankroet, beminde ze al wat smoel en vuisten had en een supersnelle bezem voerde. (Stom: ambtenaren moet natuurlijk beleidssoldaten heten!) De oude ooievaar had zich verbitterd uit het Hofstedelijke wapen gewiekt – Ik voelde me er niet meer senang, gewoon! huilde hij, vlak voor zijn vredig heengaan in verzorgingstehuis Uiverrood, aan de Lek –, en in het vrije veld waren sloopkogel, heipaal en cementmolen gekomen, de indicatoren van urbane dynamiek en gezondheid.
Den Haag, je tikt ertegen, en het bouwt.
De storm van permanente activiteit, onder- èn bovengronds, wijzigde de verkeerssituatie al jaren met de week. Geholpen door een listig leger van loszittende tegels, een speelse, postmoderne bewegwijzering, en talloze zich haastig verplaatsende dode hoeken, werd het zo hevig gestimuleerde groene fietsen daardoor een buitengemeen spannende uitdaging, ja, voor een onoplettende enkeling niet zelden een eindezaak.
Je moest het een plaatsje geven.
Graf. Urn. Veld. Zee.
Haar territorium- en ontsluitingsproblemen aldus werkendeweg oplossend, beleefde Den Haag nu een wedergeboorte als groeiende magneet met, zonder overdrijving, mondiale uitstraling. In het herbestemde Laakkwartier, bijvoorbeeld, achter het gerenoveerde station Hollands Spoor, daar snoepte de Gigamall, Gigamuil, euro’s van heinde en verre, en zoemde en knetterde het van de kennisconsumptie en -productie (alleen die liefdevol gerestaureerde schoorfallus van het voormalig abattoir – een geheide wandelroutetopper – herinnerde nog aan een doodsverleden van fysiekere allure). Aan het Rijswijkseplein, in plaats van een suf lapje park (zoals omwonenden dat karakteristiek egoïstisch hadden gewenst), verrees ambitieus een opmerkelijke flat voor studenten en psychiatrische cliënten: ‘De Strijck’, geënt op het New Yorkse Flatiron Building, met op tweeënveertighoog (!) het fameuze restaurant Hague View, waar iedereen verrukt kon constateren dat de Stationsbuurt – daken en water en straten in de diepte – als geheel onherkenbaar was verbeterd, ja, een heus Quartier Latin was geworden, een Greenwich Village, vol schoon volk, levend, lachend en gezellig. Langs de trendy Bierkade schommelde een hele vloot terrasboten, zelfs kon men er (initiatief van pizzeria Bagliacci) genoeglijk in een groengele gondel doorheen worden geroeid. Jaja, de Stationsbuurt was really the place to be!
Het Spui, verderop (erheen gehopt!), was een culturele trekker van bovenregionale attractiviteit – Stadsschouwburg, Concerthuis, de onlangs met veel fanfare geopende Game Arena, het Art Film Center, het Oracle Dans Theater (aanstonds te betreden) –, maar imponeerde vooral door het Stadhuis, een bouwwerk van voorwereldlijke omvang, met een Atrium als een rakethangar. IJzingwekkend wit, en dus zeer bewassingsintensief, herbergde het tevens de openbare bibliotheek plus een meubelzaak die, herstel: design center dat van geen wijken had geweten.
Taai fossiel in de voet, zal Du Barry duren tot het vallen van de Macht.
Optisch achter het Stadhuis en dekkend in de slappe rug (graatloos eet het lekkerst) van Neerlands parlement, op het eindelijk, eindelijk nuttig geëxploiteerde Malieveld, stootte het nieuwe ministerie van Veiligheid (MiniV) zijn Mordoriaanse punten tussen de verbaasde meeuwen, terwijl onder zijn massieve lijf de hoogfrequente tunneltrams naar en uit de vermaarde badplaats Scheveningen gleden.
O-o, Den Haag! ’s-Gravenhage!
Oók nog tussentijds tot Global Justice Capital gebombardeerd, was de Beatstad achter de duinen definitief uit de schaduw van die arrogante Grote Twee, Amsterdam en Rotterdam gesprongen, bruisend van jeugd, mensenrechtenschenners en kapitaal.
Den Haag, kortom, was een invasie volop waard.
Yes, sir!
