Posts tonen met het label Door het Oog van de Cycloon. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Door het Oog van de Cycloon. Alle posts tonen

maandag 8 maart 2010

Ode aan een fictief Den Haag (uit Door het Oog van de Cycloon)

Den Haag! ’s-Gravenhage!

Ooit zo deftig, ooit zo dicht, was de Residentie in deze nieuwe eeuw brutaal en open geworden, een streberige waagal met grootschalig profiel. Ze had het grijsbruingroene imago van ambtenaren en geriatrie, kale kak en speelgoedofficieren furieus de Noordzee in gespoeld. De burgerlijke bakens verzet, de etnische pool roekeloos gemixt, en soms, op de koop toe, moedig bankroet, beminde ze al wat smoel en vuisten had en een supersnelle bezem voerde. (Stom: ambtenaren moet natuurlijk beleidssoldaten heten!) De oude ooievaar had zich verbitterd uit het Hofstedelijke wapen gewiekt – Ik voelde me er niet meer senang, gewoon! huilde hij, vlak voor zijn vredig heengaan in verzorgingstehuis Uiverrood, aan de Lek –, en in het vrije veld waren sloopkogel, heipaal en cementmolen gekomen, de indicatoren van urbane dynamiek en gezondheid.

Den Haag, je tikt ertegen, en het bouwt.

De storm van permanente activiteit, onder- èn bovengronds, wijzigde de verkeerssituatie al jaren met de week. Geholpen door een listig leger van loszittende tegels, een speelse, postmoderne bewegwijzering, en talloze zich haastig verplaatsende dode hoeken, werd het zo hevig gestimuleerde groene fietsen daardoor een buitengemeen spannende uitdaging, ja, voor een onoplettende enkeling niet zelden een eindezaak.

Je moest het een plaatsje geven.

Graf. Urn. Veld. Zee.

Haar territorium- en ontsluitingsproblemen aldus werkendeweg oplossend, beleefde Den Haag nu een wedergeboorte als groeiende magneet met, zonder overdrijving, mondiale uitstraling. In het herbestemde Laakkwartier, bijvoorbeeld, achter het gerenoveerde station Hollands Spoor, daar snoepte de Gigamall, Gigamuil, euro’s van heinde en verre, en zoemde en knetterde het van de kennisconsumptie en -productie (alleen die liefdevol gerestaureerde schoorfallus van het voormalig abattoir – een geheide wandelroutetopper – herinnerde nog aan een doodsverleden van fysiekere allure). Aan het Rijswijkseplein, in plaats van een suf lapje park (zoals omwonenden dat karakteristiek egoïstisch hadden gewenst), verrees ambitieus een opmerkelijke flat voor studenten en psychiatrische cliënten: ‘De Strijck’, geënt op het New Yorkse Flatiron Building, met op tweeënveertighoog (!) het fameuze restaurant Hague View, waar iedereen verrukt kon constateren dat de Stationsbuurt – daken en water en straten in de diepte – als geheel onherkenbaar was verbeterd, ja, een heus Quartier Latin was geworden, een Greenwich Village, vol schoon volk, levend, lachend en gezellig. Langs de trendy Bierkade schommelde een hele vloot terrasboten, zelfs kon men er (initiatief van pizzeria Bagliacci) genoeglijk in een groengele gondel doorheen worden geroeid. Jaja, de Stationsbuurt was really the place to be!

Het Spui, verderop (erheen gehopt!), was een culturele trekker van bovenregionale attractiviteit – Stadsschouwburg, Concerthuis, de onlangs met veel fanfare geopende Game Arena, het Art Film Center, het Oracle Dans Theater (aanstonds te betreden) –, maar imponeerde vooral door het Stadhuis, een bouwwerk van voorwereldlijke omvang, met een Atrium als een rakethangar. IJzingwekkend wit, en dus zeer bewassingsintensief, herbergde het tevens de openbare bibliotheek plus een meubelzaak die, herstel: design center dat van geen wijken had geweten.

Taai fossiel in de voet, zal Du Barry duren tot het vallen van de Macht.

Optisch achter het Stadhuis en dekkend in de slappe rug (graatloos eet het lekkerst) van Neerlands parlement, op het eindelijk, eindelijk nuttig geëxploiteerde Malieveld, stootte het nieuwe ministerie van Veiligheid (MiniV) zijn Mordoriaanse punten tussen de verbaasde meeuwen, terwijl onder zijn massieve lijf de hoogfrequente tunneltrams naar en uit de vermaarde badplaats Scheveningen gleden.

O-o, Den Haag! ’s-Gravenhage!

Oók nog tussentijds tot Global Justice Capital gebombardeerd, was de Beatstad achter de duinen definitief uit de schaduw van die arrogante Grote Twee, Amsterdam en Rotterdam gesprongen, bruisend van jeugd, mensenrechtenschenners en kapitaal.

Den Haag, kortom, was een invasie volop waard.

Yes, sir!

zondag 19 april 2009

Van een oude titel die niet voorbijging

 
Ik heb vandaag de titel van mijn eerste (nog ongepubliceerde) dichtbundel veranderd, zodat er iets meer van de inhoud wordt verraden. Het neutrale(re) 'Eerste poëzie' doet dat niet, zou goed als ondertitel kunnen fungeren (zie ook hier). De titel die ik nu heb, 'Love Storing', behoort toe aan mijn eerste poging tot serieuze literatuur, een mislukte roman die ik in april 1977, 15 jaar oud, begon. Ik verwierp de titel later ten gunste van het grootsere 'Tantalus Triomfator' (inderdaad, ik was een puber met visionaire vlagen). De roman muteerde op 4 mei 1979 tot iets veel ambitieuzers: een heuse mythe, waarin ikwording, werkontstaan en wereldschepping een onschokbaar verbond zouden sluiten in een ongehoord Nederlands. Ik heb daar enkele jaren aan gewerkt, begreep echter dat ik nog te weinig begreep, te weinig had ervaren, en legde het werk dus in 1984 onvoltooid terzijde. 'Ego', zo heette het boek, is de fundering waarop al het andere staat dat ik sindsdien heb geschreven, ja, ook door de 'Cycloon' schemert het heen.

Ik heb nog altijd één hoop - dat 'Ego' het werk is waarmee ik mijn schrijversleven mag beëindigen...

Afwachten.

 

zondag 5 april 2009

Poëticale blurb voor mijn 'Cycloon'

 
Toen ik in het jaar 2000 writer-in-residence was bij het, inmiddels met Nieuwzuid gefuseerde, Yang, kon ik mezelf uitgebreid presenteren. Ik deed dat door de jaarlange publicatie van Deel A van mijn roman-in-aanbouw Door het Oog van de Cycloon. Wereld- en levensomstandigheden hebben voltooiing van dit monstrum vertraagd, maar gelukkig betekent uitstel geen afstel. De roman is rijker en dieper geworden van alle schokken en verstoringen, en mijn enthousiasme voor het project is onverminderd groot. De redactie van Yang vroeg me destijds mijn eigen werk in te leiden. Ik deed dat met een kleine poëtica van het licht pretentieuze soort (nou ja, het was mijn tijdschriftdebuut, een onbescheiden klaroenstoot is dan best geoorloofd), waar ik me zelfs na 9 jaar nog altijd in kan vinden.

Ziehier wat ik toen schreef:

Met Door het Oog van de Cycloon, zijn prozadebuut, streeft J.Z. Herrenberg een synthese na.

‘Tussen de uitersten van de ‘tijdloze’ verbeelding, met haar circulaire taligheid, en de verbeelding van een tijd, met haar lineaire werkelijkheidsgetrouwheid, construeer ik een spiraal, zesdelig, met twee, om elkaar heen gedraaide lijnen (A, Nul, B, Een, C, X), armen die een derde, afwezige lijn omvatten, als een spookledemaat: het lezersheden*.’

Omwille van nuttige beperking kiest Herrenberg in A, B en C voor een school als locatie en een party als handeling. Voor de vereiste dichterlijke vrijheid wordt deze (mis)vormende instelling in een fictief 2006 geplaatst èn in een park bij een fictieve stad (Hoefbeek) in een navenant vertekend Nederland.

In de andere verhaallijn (Nul, Een, X) staat een vervolgde, zich messias dunkende kunstenaarsfiguur centraal, een verlate incarnatie van het romantische genie, ook levend in een subtiel gewijzigde werkelijkheid. Uit hem, John Derlage, zijn A, B en C voortgekomen.

‘Via de bifocaliteit van deze, elkaar spiegelende, werelden, en hun, soms satirisch gekleurde, contrast met onze werkelijkheid-hier moet indirect een verhelderend licht over het heden vallen, een heden dat, in zijn fragmentatie en complexiteit, mediatisering en frenetieke versnelling, met meer rechtstreekse methodes volgens mij niet meer na te vertellen is.’

Om de nagestreefde synthese te bereiken laat de schrijver geen enkel (buiten-literair) middel onbenut.

Van de film neemt hij camera-instellingen en abrupte perspectiefwisselingen, en van het toneel het scenische, het zelfontstaan van figuren uit hun woorden, en de druk van de klok; de klassieke muziek heeft hem een grootschalige structurering geleerd, waarbij beelden, gedachten en woorden als motieven kunnen worden ontwikkeld door het onthullende medium van de Tijd zèlf, zoals deze zich van pagina tot pagina ontrolt (zodat hij voor zijn debuut, liever dan van een ‘roman’, van zijn Eerste Logofonie zou willen spreken); uit de poëzie licht hij klank en ritme, bondigheid, een stringente syntaxis, lexicale exactheid, en de wil door iedere zin de geest zo clichéloos mogelijk te laten waaien (en in sommige gevallen juist niet); en het dagelijks leven met zijn auto, bioscoop, tv en computer doet hem de bladzijde dynamiseren tot spiegel, doek, venster, scherm, waarnaar en waardoorheen je kijkt en van waaruit teruggekeken wordt, met alle consequenties voor de relatie visueel-verbaal.

Zo, klimmend van tekstblok tot tekstblok, hoopt de schrijver zijn lezers topzicht te geven – beneden ons ligt het huidige Westen, midden in een radicale transformatie. Hoe het er, na de worsteling, uitziet? Wat kijkt ons aan in de toekomst? Barbarij? Beschaving? Of alweer een middending, maar dan gelikter?

‘Mijn schrijven’, besluit J.Z. Herrenberg, ‘wortelt in analyse, observatie, multidisciplinaire studie, in nachtmerrie en gedachtenspel. Het is niet slechts het gevolg van raadselachtige ‘creativiteit’, maar ook het resultaat van planning en koele berekening, net zoals niets in de gemaakte wereld om ons heen zomaar ontstaat. Achter elke ludieke lokzin op halte en station steken teams en intenties. Een literatuur die deze manipulatieve kunstmatigheid, en het waarom ervan, tot in haar allerlaatste vertakkingen verdisconteert, zal de werkelijkheid zelf schijnen, en even amusant als schokkend zijn.’

*Beide lijnen zullen nu worden verenigd in het centrale stuk van het boek, tussen A, Nul, B en Een, C, X in - Bindende Leegte, waarin het boek zèlf door Melcher Simons, de toonaangevende criticus van 2020, postuum zal worden geïntroduceerd en gepresenteerd...