maandag 17 mei 2010

De schrijver praat u een beetje bij


Mijn leven is niet opwindend. Dat maakt het 'bijhouden' van een blog dan ook lastig. Ook jaag ik niet op ervaringen om iets te schrijven te hebben. Ik heb voor mezelf een levensdoel - de wereld waar ik deel van ben zo goed mogelijk te begrijpen plus enkele houdbare teksten te schrijven - en onderweg kruis ik het pad van talloze andere reizigers. Er is contact, uitwisseling, inzicht, conflict, plezier, woede. Zo word je verder bijgeslepen, slijp je anderen bij, en ga je verder. The End.

Al mijn intellectueel en emotioneel bewuste jaren kenmerken zich door hollen noch stilstaan - er is een beweging, een trage maar zeer gestage vordering, soms een triomfantelijke mars en een duizelende vlucht. Soms is er vertwijfeling, de vraag naar de uiteindelijke zin van überhaupt te willen schrijven voor een wereld die steeds minder wil lezen; soms is er euforie als de compromisloze inzet wordt beloond met aandacht, begrip, ja, zelfs geld. Dr. Johnson, de grootste Engelse criticus, zei ooit No man but a blockhead ever wrote except for money. Dan ben ik tot het jaar 2000 de grootste dombo geweest. Maar in die jaren van onbezoldigd moeten schrijven heb ik wel de grondslag gelegd voor alles wat men de komende tijd nog van mij zal gaan lezen.


Zoals 'Schaduw en ex', te verschijnen in een bundel van Meulenhoff, dit najaar.


zondag 9 mei 2010

Ledenbijeenkomst



Ledenbijeenkomst


de jonge vrouw
liep stijfjes snel
de ruimte door
op lange benen

hij zag nog niet
dat hij haar zag
alleen maar lieflijke
misplaatstheid:

plotseling vernietigde
de vergaderzaal
de poëzie

onvolledig


maar nog
was ik te dicht
toen je gezicht
verscheen

maandag 8 maart 2010

Ode aan een fictief Den Haag (uit Door het Oog van de Cycloon)

Den Haag! ’s-Gravenhage!

Ooit zo deftig, ooit zo dicht, was de Residentie in deze nieuwe eeuw brutaal en open geworden, een streberige waagal met grootschalig profiel. Ze had het grijsbruingroene imago van ambtenaren en geriatrie, kale kak en speelgoedofficieren furieus de Noordzee in gespoeld. De burgerlijke bakens verzet, de etnische pool roekeloos gemixt, en soms, op de koop toe, moedig bankroet, beminde ze al wat smoel en vuisten had en een supersnelle bezem voerde. (Stom: ambtenaren moet natuurlijk beleidssoldaten heten!) De oude ooievaar had zich verbitterd uit het Hofstedelijke wapen gewiekt – Ik voelde me er niet meer senang, gewoon! huilde hij, vlak voor zijn vredig heengaan in verzorgingstehuis Uiverrood, aan de Lek –, en in het vrije veld waren sloopkogel, heipaal en cementmolen gekomen, de indicatoren van urbane dynamiek en gezondheid.

Den Haag, je tikt ertegen, en het bouwt.

De storm van permanente activiteit, onder- èn bovengronds, wijzigde de verkeerssituatie al jaren met de week. Geholpen door een listig leger van loszittende tegels, een speelse, postmoderne bewegwijzering, en talloze zich haastig verplaatsende dode hoeken, werd het zo hevig gestimuleerde groene fietsen daardoor een buitengemeen spannende uitdaging, ja, voor een onoplettende enkeling niet zelden een eindezaak.

Je moest het een plaatsje geven.

Graf. Urn. Veld. Zee.

Haar territorium- en ontsluitingsproblemen aldus werkendeweg oplossend, beleefde Den Haag nu een wedergeboorte als groeiende magneet met, zonder overdrijving, mondiale uitstraling. In het herbestemde Laakkwartier, bijvoorbeeld, achter het gerenoveerde station Hollands Spoor, daar snoepte de Gigamall, Gigamuil, euro’s van heinde en verre, en zoemde en knetterde het van de kennisconsumptie en -productie (alleen die liefdevol gerestaureerde schoorfallus van het voormalig abattoir – een geheide wandelroutetopper – herinnerde nog aan een doodsverleden van fysiekere allure). Aan het Rijswijkseplein, in plaats van een suf lapje park (zoals omwonenden dat karakteristiek egoïstisch hadden gewenst), verrees ambitieus een opmerkelijke flat voor studenten en psychiatrische cliënten: ‘De Strijck’, geënt op het New Yorkse Flatiron Building, met op tweeënveertighoog (!) het fameuze restaurant Hague View, waar iedereen verrukt kon constateren dat de Stationsbuurt – daken en water en straten in de diepte – als geheel onherkenbaar was verbeterd, ja, een heus Quartier Latin was geworden, een Greenwich Village, vol schoon volk, levend, lachend en gezellig. Langs de trendy Bierkade schommelde een hele vloot terrasboten, zelfs kon men er (initiatief van pizzeria Bagliacci) genoeglijk in een groengele gondel doorheen worden geroeid. Jaja, de Stationsbuurt was really the place to be!

Het Spui, verderop (erheen gehopt!), was een culturele trekker van bovenregionale attractiviteit – Stadsschouwburg, Concerthuis, de onlangs met veel fanfare geopende Game Arena, het Art Film Center, het Oracle Dans Theater (aanstonds te betreden) –, maar imponeerde vooral door het Stadhuis, een bouwwerk van voorwereldlijke omvang, met een Atrium als een rakethangar. IJzingwekkend wit, en dus zeer bewassingsintensief, herbergde het tevens de openbare bibliotheek plus een meubelzaak die, herstel: design center dat van geen wijken had geweten.

Taai fossiel in de voet, zal Du Barry duren tot het vallen van de Macht.

Optisch achter het Stadhuis en dekkend in de slappe rug (graatloos eet het lekkerst) van Neerlands parlement, op het eindelijk, eindelijk nuttig geëxploiteerde Malieveld, stootte het nieuwe ministerie van Veiligheid (MiniV) zijn Mordoriaanse punten tussen de verbaasde meeuwen, terwijl onder zijn massieve lijf de hoogfrequente tunneltrams naar en uit de vermaarde badplaats Scheveningen gleden.

O-o, Den Haag! ’s-Gravenhage!

Oók nog tussentijds tot Global Justice Capital gebombardeerd, was de Beatstad achter de duinen definitief uit de schaduw van die arrogante Grote Twee, Amsterdam en Rotterdam gesprongen, bruisend van jeugd, mensenrechtenschenners en kapitaal.

Den Haag, kortom, was een invasie volop waard.

Yes, sir!

donderdag 12 november 2009

Enkele beauforts van de 'Cycloon' waaien in nY #3



Twee weken geleden verscheen het derde nummer van nY. Zeer interessant is het dossier over de Duitse schrijver Reinhard Jirgl, met wie ik een voorvader deel: Arno Schmidt. Schmidts fonetische en typografische avontuurlijkheid is niet zonder invloed op Jirgl gebleven; ook de expressionistische metaforiek is een punt van overeenkomst. Waarin Schmidt mij heeft beïnvloed is lexicale en descriptieve exactheid en stilistische compactheid - ze waren al in mij aanwezig (via Joyce), maar Schmidt als bijna-tijdgenoot (hij stierf in 1979) was een inspiratie en bemoediging. Met de nog immer te onbekende Britse symfonicus Havergal Brian was Arno Schmidt mijn 'contemporaine god' gedurende mijn eenzame jaren tachtig. Zonder hen was ik niet wie ik nu ben.

In het nummer van nY staat ook een hoofdstuk uit Door het Oog van de Cycloon. De redactie, in het intro, zegt het volgende:

Het ritmische en visuele proza van Jirgl krijgt een tegenhanger in dat van J.Z. Herrenberg, wiens fragment 'Majesteit!' deel uitmaakt van een Grote Nederlandse Roman in wording. Het werk van deze voormalige writer in residence van yang begint ook elders voet aan de grond te krijgen, maar in nY publiceert hij een van zijn meest gewaagde en polyfone fragmenten. Het laat zien hoeveel rek er nog zit in de 'verschrijfkunst', in Jirgls definitie 'de verrijking van de alfanumerieke mogelijkheden voor een literaire tekst met het oog op een verhoogde precisie in het vertellen en beschrijven'.

Vleiend. En - verplichtend.

Aan de arbeid!

zondag 13 september 2009

Delfts Blauw




In een woongroep aan de Delftse Koornmarkt ben ik uiteindelijk niet terechtgekomen, maar mijn uitzicht vanuit een kamer in de (soms wel erg levendige) Kromstraat is ook niet slecht. Lig ik op bed, dan zie ik de torenhaan van de Nieuwe Kerk.

Om de hoek, in de Jacob Gerritstraat, woonde ooit Hubertus Korneliszoon Poot, de 18de-eeuwse dichter, boerenzoon uit de Abtswoudse polder, die de Nederlandse poëzie weer een stukje natuurlijker maakte, ergo: bevrijdde van het klassiek-mythologische corset waarin de Hollandse dichtmaagd zat ingesnoerd. Op de plek waar hij een tabakswinkel dreef staan, hoog op de muur, enkele regels uit zijn gedicht 'Nacht':

Slechts ik, dus vroeg eens opgestaen,
Zie 't ryzend licht der schoone maen
Op gevels blikkeren en torens.

De volgende regels zijn een fraaie voortzetting (elpe = ivoren):

Zy meet het blaeu met elpe schreên;
En scheurt, in koelen moedt, met haere zilvre horens,
De donkerheit vanëen.

Ik vraag me af of ook mijn woorden ooit eens op een Delftse gevel te bewonderen zullen zijn...


Supermarkt



Supermarkt


hoe je haar viel
toen je hand greep
wat je mond zei


zo loop ik alleen
en schrijf de zin
die ik niet kreeg


op de band
ligt een speen
plus een familie
verpakking dood


zondag 12 juli 2009

De baksteen (4)



4.


    Na dat knallende startschot van de Eerste Vrouwe werden – en niet alleen door Hovenaren – op de plek waar de onschuldige Huib zijn nek had gebroken, meer en meer bloemen neergelegd.
    Mensen schoolden huilend in Hoefbeek samen. Mensen zagen huilende mensen in Hoefbeek samenscholen. Mensen zagen huilend hoe mensen huilende mensen in Hoefbeek zagen samenscholen die mensen zagen huilen.
    Kortom: in Hoefbeek groeiden de mensenmassa’s spontaan.
    Een 72-uurswake barstte los. De binnenstad rouwde actief mee – op zondag waren alle winkels open voor winst. Kaarsen, vlaggen, rozen, fakkels, petjes, foto’s, kaarten, knuffels, ze raakten telkens uitverkocht.
    ‘D’r is gewoon niet tegenaan te vullen’, beklaagde zich één zwaar gedupeerde middenstander, de heer Grut, beheerst snikkend voor de camera’s. ‘Ook onze leverancier zit er helemaal van in de stress.’
    Huib Blonk werd iedereen. Iedereen werd Huib Blonk.
    Of, zoals de Hulptroep Emotionele Reformatie (HERE), twee maanden later, wijs en compact vanaf talloze affiches zou propageren: Leven maak je met elkaar. De macht, die ben jij. Wees geen steen. Bouw een Huib.
    De Markt bij nacht was een veld vol flakkering, tranen en gezang, onder de geweldige krater van de wolkenloze kosmos. De heli van een kleine, profielbehoeftige commercieel, cirkelend tegen de sterren en slinkende maan, filmde beneden het woord dat in de ring van de Windroos om Grotius’ beeld heen loopt, zijn letters nu brandend van alle waxinelichtjes:

ELCK WANDEL IN GODTS WEGHEN

    Het Koninkrijk der Nederlanden was, voor even, ontroerd verenigd, in den vleze en in den geeste, rond de bruine Vader van het Internationale Recht, die nu met zijn bronzen schoenen op een sokkel van bloemen stond.

De vrijheid als een zonne schijn’
Op allerhande slag van mensen,
Die om ’t gemene beste wensen.


    Bij Huibs massale teraardebestelling, de dinsdag daarna, op het Rotterdamse Hofwijk, gaf (naast het voltallig kabinet) ook Zijne Majesteit, discreet tussen lijfwachten, acte de présence.
    Twan Othello Padewijn is, na een vruchteloos onderzoek, in stilte verpulverd.

 

De baksteen (3)



3.



    Op een lekkere vrijdagmiddag loopt Hubertus Ursel Blonk (16), roepnaam: Huib, over straat, op weg naar een paar uurtjes opgewekt vakkenvullen. Hoofdknikkend en hoofdschuddend, fluit de superpopulaire leerling van het Sint Aloysius en Stanislas College vol enthousiasme mee met zijn Egyptische flashPod. 
    Padewijn ziet hem naderen, al van verre.

    ‘Hij komt uit die steeg gelopen. O, zo’n gewone jongen: winterbleekjes nog, rooie schapenkrullen onder een gettopetje, z’n dunne o-benen stoer in spijker, joekels van schoenen eraan, ecovriendelijk, met zolen van herbenutte autobanden. Hij komt, ingekapseld in z’n eigen wereld. En niet zonder zwier…’
    En Padewijn vervloekt de rivier, zijn ouderlijke Waal, wier bodem hij heeft bewoond. Hij vervloekt de fabriek, die hem tot baksteen heeft geschoold.
    Niet God vervloekt hij, geenszins.
    Het waren mensen geweest, mensen.
    O, verheffen wil hij zich, meters boven de Markt uitstijgen!
    ‘Stel alstublieft de zwaartekracht voor één keer buiten werking, o HEER! Maak dat, voor deze ene keer, op deze ene plaats, Moeder haar koesterende greep uit voorzorg kan verslappen! Daar komt één van Uw en Haar kinderen aan, helemaal in de hemel, helemaal weg, en ziet mij niet, en hoort mij niet!’
    Waarom lìgt hij hier überhaupt, half onzichtbaar in de slagschaduw van Grotius’ granieten voetstuk, geslepen door de vervagende namen Nessel & Röhl, Berlin?! Welke nog door hem te delgen schuld heeft die verveelde jongeheren, slechts een avondje uit om alles lekker te vergeten, hem zo levensgevaarlijk doen verplaatsen? Daar nadert en nadert een blank en bloedjong schepsel, en ziet hem niet liggen, en hoort hem niet roepen!
    Esse est recipi. Zijn is ontvangen worden.
    Twan O. Padewijn, echter, zendt uit op buitenmenselijke frequenties.
    ‘Maar – mijn God, luistert U dan? Spreekt U tot hem?!
    Hij blijft staan, ja, hij blijft staan, bij het terras van pizzeria Coco Nino! Ach, net slinger je dodelijk de wanhoop in, en dan dìt…
    Halleluja!
    Kijk die knul nou toch eens grijnzen! Hij drinkt Uw blijde boodschap in, alsof z’n leven ervan afhangt…
    Maar dat doet het ook, dat doet het ook!
    Z’n tanden, hagelwit en beugelloos, zie ik daar stralen, mijn God, in een lach van oortje tot oortje, zo breed als dit prachtige plein!
    Halleluja!
    O, mijn humane, lollige HEER, ik moet er gewoon van giechelen! Deus viator, bent U dan komisch rappend in z’n flashPod gevaren? iGod-hop?!
    Hallelu
    NEE!

    Terugspoelen was niet mogelijk.
    Kenden velen het jeugdige slachtoffer, sommigen hadden plotseling de zondige baksteen gekend, loerend aan de voet.
    Maar niemand had wat gedaan.
    Onbegrip-Verantwoordelijkheid: 1-0.
    De ramp mondde dus al vijftig minuten later zeer gepast uit in de premier, die, door de plichtbewuste media uit het Torentje gelokt, live kwam proberen, in haar donkere deur, de gevoelens van alle Nederlanders ondemagogisch te vertalen.
    Na drie keer diep te hebben gezucht (blinde ogen kunnen immers geen stemming vertolken), zei ze hoofdschuddend:
    ‘Ik heb even geen tekst, beste mensen, gewoon even geen tekst.’
    Ze klonk oprecht aangeslagen.
    Camera’s bliksemden.
    Aarzelend en zoekend aanvankelijk, was de minister-president begonnen met haar aanzienlijk historische verklaring:
    ‘Toen het bericht ons daarnet bereikte, pats-boem! midden tijdens het bevolkingsmodificatie-spoedseminar, toen zaten we allemaal secondenlang totaal verbijsterd, geschrokken en vooral geschokt onze duimen te draaien, van BZK tot Cultuur. Dit laat je als bewindspersoon niet onbewogen. Wat zo’n steen toch bezíelt, God mag het weten! Het is allemaal niet te bevatten.     M’n oren vielen van m’n kop.’
    Pauze.
    ‘Ons hart is allereerst bij Huibs familie en vrienden. We denken en bidden. Die zitten daar nu met een groot en onvervangbaar verlies te worstelen. In dat mooie, maar arme Hoefbeek, dat alweer geteisterd wordt door zoveel onverdiend ongeluk.
Hoefbeek – het lijkt zo dichtbij, hè, vanuit Den Haag is het niks, met m’n dienstwagen ben ik er zo…
    En toch, toch is Hoefbeek nu voor een paar daagjes oneindig ver weg, helemaal alleen en geïsoleerd, in z’n eigen hoekje verschrikkelijke pijn.’
    Pauze.
    ‘M’n jongste zoon Rudolf studeert er Kennisbewaking. En ik haalde verleden jaar juist opgelucht adem, stiekem, dat-ie geen lid was van die sociëteit…
    Jaja, ik wéét dat zoiets akelig egoïstisch kan klinken. Tuurlijk. Maar welke ouder zal dit sentiment níet herkennen? Want laten we elkaar, als volwassen vrouwen en mannen, nou eventjes niks diets maken: niemand wil dat haar eigen vlees- en bloedbezit iets schadelijks overkomt! Toch?
    En vandaag, opnieuw dat afgrijselijke gevaar! Vandaag hadden mijn en uw zoon dus Huib Blonk kùnnen zijn, Huib, die nu jammergenoeg door z’n familie, vrienden en’
    De premier, die steeds verstikter was gaan klinken, viel stil, slikkend.
    Bliksemen.
    Eildert Boontjes, achter haar, naast een asgrauwe collega uit de vaderlandse veiligheidstop, kneep ernstig in haar schouder, onder de luid gefluisterde troostwoorden Rustig, maatje.
    Pauze.
    ‘Ik denk’, herstelde mevrouw Geusebroek zich weer, mat van grote emotie, ‘dat het voor de zuivere politiek ongepast is om zich van onnoemelijk leed ook maar een voorstelling te mógen maken.
    Naast de Blonks en aanhang, dus, gaan de gedachten tevens krachtig uit naar alle mensen in de rest van onze geweldige Nederlandse volkerengemeenschap, auto èn allo, vers èn rijp, naar al die honderdduizenden die – daar ben ik heel zeker van – nu enorm zullen willen gaan medelijden.’
    Ze beet hard in haar volle, roze onderlip.
    Bliksem.