donderdag 15 december 2011

Belletrie en het Beest (1/2)

In 2003 stelde de redactie van het tijdschrift yang mij een bekende vraag, die ik op een tot dan toe onbekende wijze beantwoordde in de vorm van een poëticaal sprookje. Hier volgt het...



En yang vroeg: Waarom schrijft u? En er was dit:


Toen ik er eindelijk, afgedaald naar de duistere oorsprong, eindelijk materialiseerde met mijn schootcomputer, kronkelde hij gelijk moeizaam om­hoog.

‘Krijg nou borstjes!’ hoorde ik hem steunen. ‘Jour-na-lis-tiek...’

Hij stonk overweldigend, naar eeuwen en landen, en zijn schijnsel was gemiddeld. Maar ten slotte opgestaan, was de Macht, het moet gezegd, nog steeds een imposante gestalte. Kwam zijn kale, paarsrode kop, als een mas­sieve, uitkragende helm op zijn stierenek, werkelijk tot het plafond? Neen. Maar toch: een raket van een vent, die ik in stomme fascinatie registreerde. Gapend rekte de Macht zich hard, en een labyrintisch patroon, dat de vloer helder in zijn haarloze, wit uitgeslagen bast had geprent, was meteen niets dan een herinnering. Hij glimlachte me toe, achter een floers van wijze droevigheid, en hief, tragisch armloos als hij was, stijfjes zijn linkervoet.

‘Waaghals, welkom!’ sprak hij sonoor plechtstatig, pauzeerde een ogen­blik, en zwoer toen beslist, meer zichzelf dan mij: ‘Ik ga je vreselijk ont­maagden, mediantje!’

Ik huiverde. Dàt was een plotseling tandje brutaler! Hork. Maar zijn verklaarde doel stemde me terzelfdertijd hoopvol en blij. De vele weder­waardigheden onderweg, en de ontnuchterende inzichten daaruit gegene­reerd in wereld, leven en werk, ze hadden me al danig gerijpt. Toch stak er nog wat onverwerkt kind in mij. Als de Macht díe lastige, tere rest kon elimineren, definitief – halleluja!

‘Natuurlijk!’ riep ik dan ook, onstuimig zwaaiend met mijn computer, en het kaatste octofonisch door de grot. ‘Herpositioneer m’n poolsterretje maar! Firma- èn fundament, ze moeten nodig in de revisie! Waarom ben ik anders die moordweg omlaag gestreefd? De zon, onbewogen, kookte m’n wonden. Ik wankel vanbinnen op het randje van af. Als ik nu niet spoedig weer vol naar het oppervlak terugkeer, is het gedaan met al m’n schone, koene plannen! Dit is de ure, bitter vadertje, dit is de dag! Heb uw incest, tast grof toe, maar geef mij de prijs van uw vreselijke wetenschap, en pronto! Want dit ondergrondse is geen sterveling te vriend!’

Zo moedigde ik hem aan, de Macht, niet helemaal eerlijk, maar wel vol effect: de vreugde lichtte over zijn rubberen trekken. Hij knikte, mijn oeroude, spiernaakte waarheid, hij knikte, langzaam.

‘Sit down dan, dorstige tikker,’ dreunde hij gebiedend, ‘en drink mij in!’

‘I will!’ verzekerde ik hem grimmig. ‘Ik ga uw wereldlezing zuipen als een baby!’

‘Perfect. By the way,’ informeerde de Macht, ‘waar verschijn ik eigen­lijk?...’

Yang, een blad. Vlaams en bepalend.’

Ik zat en ontsloot, handen licht trillend, mijn laptop.

‘Acceptabele naam’, oordeelde het orakel. ‘Yang is thuis, Yin slechts een poort.’

Toen, met onverbloemd sentiment:

‘O, Vlaanderen! Ja, België, daar, bij die delta van West-Azië, daar ben ik gul geweest!’


En terwijl de Macht zijn onwelriekende cirkels trok, met kletsende voeten, om mij heen, vingerdanste ik vlijtig in kleermakerszit op de stenen vloer.


‘De Dood is alles-, allesdoordringend’, opende hij, op hamerende toon. ‘De Dood is zo ijl en zo echt als een gevoel, een woord, een gedachte. Elk vacuüm is een scandaleuze bres in z’n uitdijende bolwerk. Z’n gas mag nooit ofte nimmer lekken, anders wentelt de Dood rampzalig om, domme schildpad, tot niks, een angstige man die wanhopig gebaart op z’n hemelse balkon. O, ik kèn de ‘hoge’ heertjes, vele eeuwen al, de trotse bekleders, de ijdele dragers, de bezeten stadhouders van hèm, de bezittende Dood...’

Hij staakte ronde en referaat voor een moment, en boog zich traag naar me omlaag met een ironisch inspectie-oog.

‘Dàt zijn me een startzinnetjes, hè, arm tikding?’ plaagde hij, stinkend in mijn gezicht. ‘Maar ik kan nog veeeel erger!’ Hij grijnsde wreed, en richtte zich toen, nadat ik geen kik of krimp had gegeven, kwiek weer op om zijn rede en walmende omgang te hervatten, de wandelende lantaarnpaal.

‘Ik lever hun, de ‘hoge’ heertjes, vele eeuwen al trouw de probate voorbehoeds- èn zelfbehoudsmiddelen: pv voor de overactieven en dissonan­ten, ddd voor de vredige, slappere rest. Opdat’

‘Huh?!’ riep ik onbeleefd hard, in een spontane interruptie\explosie waarvan ik zelf een beetje schrok.

‘Ik bedoehoel:’ striemde de Macht geprikkeld, ‘Pijn en Verdelging voor de sterkeren, Droom, Druk en Dreigen voor de zwakkeren! Bekkige weet­niks! Opdat, zoals ik dus wilde gaan zeggen, er maar geen woel zal worden gebaard... Ha! Ha!! Ha!!!’

Zijn hoon overstemde mijn geklak, schalde rond, achtvuldig.

‘Eeuwen en eeuwen tevergeefs!’ smaalde hij vol leedvermaak. ‘Want in elke glanzende piramidetop sluimert het puntige voetje dat, eenmaal tot fataal ontwaken gekanteld, je doorboort met het volle gewicht van alle knechten... Van wie ìk hier, die nietige Macht, de allerlaagste ben, een allemansmuntje. En dus het allerlaatste – lach, de baas!’

Hij voegde de daad bij het zelfgenoegzame woord: bleef staan en – tot oortuitens toe – schaterde, zwaaiend... Was dat nou een uiting van innerlij­ke kracht? Overtuigen deed het nauwelijks. En zijn achteloze diskwalificatie van alle religie, kunst, filosofie als Droom! Naïef. Vatte hij dan niet, de pralende zelfoppepper, dat er ook Moord uit die ‘reine’ enclave kon bre­ken? Ik spreidde, ter ontspanning, mijn vingers, speelde loopjes op het luchtklavier, en wachtte geïrriteerd tot hij klaar zou zijn met zijn theater.

Uiteindelijk leeggegierd, leunde de Macht scheef naar achteren. Zijn lijf was slapper, zijn oog stond matter, het kneep en het kneep me aan, alsof het vocht om klaarheid. Maar ook ìk had nu een probleem: het grotklimaat was inmiddels zó verslechterd (gevolg van zijn ‘vrolijkheid’?), dat ik oprecht zat te kokhalzen.

‘Sorry’, mompelde de Macht, en hij draaide zich om, halve pirouet, van mij weg, naar een van de wanden.

Daar - en ik merkte ze nu pas op – groeiden rare, kalkwit fosforesce­rende rondjes, waar de onreine wijze gulzig van begon te knabbelen. Een glimmende siddering golfde op en neer, op en neer door zijn ottergladde lengte. Toen de Macht zich ten slotte weer omkeerde, toonde hij sterk en triomfantelijk, een stralende, herbronde tovenaar met rechte rug, en wasem­de lente, geen rottende rijpheid, uit. Dat was een hele verbetering, zij het een oneigenlijke. Ook zijn bolle voeten waren anders – donkerder en ver­ser, en hard als graniet.

Zwaar, een looptank, begon de Macht thans zijn kringetjes om me heen te stampen, dat het trilde door mijn comp en billen.

‘De Dood’, vervolgde hij luid, ‘is een hopeloze biofaag! Zijn sturende, vaak bedrukkende concreetheid berust...’

Hij pauzeerde smakkend.

‘Ja?’

‘... op al jullie eigen levende vlees en bloed!’

Ik veinsde verbazing om aan meer belastende quotes te komen.

‘Echt?!’ riep ik dus geschrokken. ‘Helpen wij ’m dan, onze gezworen, onze oervijand? Ik wil dit even helder krijgen, Excellentie!’

De Macht knikte driftig in het dreunende gaan.

‘Wat dacht je? Juist jullie! Jullie mannen en vrouwen en kinderen zijn allemaal de speelruimte van de Dood! En jullie spelen hèm, imiterend en concurrerend, tot ruimte, bemiddeld door mij! Gevolg? Differentiatie: ‘hoog’ en ‘laag’, ‘voor-’ en ‘achterlijk’, ‘rijk’ en ‘arm’’

‘De Dood’, riep ik interrumperend, voor zijn opsomming vervelend bui­ten haar oevers kon treden, ‘is dus de ordeningskracht?’

‘Correct! Hij schept z’n complexe structuren – horizontaal èn verticaal èn sagittaal – via jullie intense bevechten, van micro tot macro! En dankzij, of wegens, de onuitroeibare onvrede van eerder genoemde bange heertjes, die ‘sterken’, omvat de Dood nu die ‘lieve’ Aarde als totaal! Ieder van jullie, bewust of niet, belichaamt een positie in z’n geïntegreerde, gegloba­liseerde oorlogsveld: een dominante, een ondergeschikte, een assisterende, een vermakende, een kritische, een ellendig overtollige, enzovoorts enzo­voorts enzovoorts!’

Welke de mijne was, welke positie ìk wilde dat de mijne, als lettermens, zou wezen, was me zonneklaar: alle...

De Macht, die gaandeweg springeriger werd, dook nu vol in zijn retori­sche professorenelement:

‘Maar omdat de Dood webbig relationeel is (of hij is niks), en elke constituerende relatie altijd weer in haar specifieke context moet worden beschouwd, zijn de posities generaliter dynamisch en onzuiver! En dàt zorgt dan weer voor het nuttige en dramatische divertissement dat jullie stakkers ‘leven’ plegen te noemen! Waardoor de cirkel zo volgevreten rond blijft als een volgehangen strop!’

Hij gaf enkele woeste, hijgerige lachjes.

Ik hengelde verder.

‘Maar... There is a world elsewhere, toch?’ vroeg ik per geleerd citaat, en mijn stem klonk smekend.

‘In your dreams!’ snauwde hij, logjes huppend. ‘En vergeet dat uni­versum! Jullie vinden, waar jullie ook vliegen, tot z’n innige tevredenheid, altijd de Dood – omdat jullie ’m exporteren... Ontdekkinkje, hè?! Nee, zet het heelal maar geheel en al uit je hoofd, lekker tikkertje! No exit! Verklikt te worden opgespoord is jullie lot! Geestiger gesteld: de blauwe planeet is één megasysteem geworden, met jullie allen op en in z’n oneffen epidermis, vrijwillig of niet, als een verzameling onderling gevangen... Dodencellen!’

Het woord weerkaatste verschrikkelijk. Mijn laptop schoof een paar centimeters op, onder mijn handen vandaan, want de Macht hopste nu rond met daverende kikkersprongen, alsof hij uitgelaten zakliep. Zijn zwetende schedel beukte het grotplafond, maar dat kon hem niet schelen, scheen hem zelfs te behagen. Stoterig vloog zijn slotbetoog naar buiten:

‘Dit wordt de essentiële eeuw, en de meest arbeidsintensieve, voor Dood en jullie en mij! Al jullie feilen en kwaliteiten, vermogens en zwakten, waanzin en verstand, ze hebben nu goddelijke wereldschaal! Jajaja! Hier bepaalt daar en vice versa, mediaal catastrofaal! Op en neer, op en neer, op en neer! Jullie zijn de eerste reële geopolieten van de geschiedenis! En hoe onontkoombaar één jullie zijn, dat zullen jullie allemaal dodelijk beleven! Want Dat maak ik niet mee! is geen keuze meer, behalve – als zelfmoord!’

Hij bleef abrupt voor me staan, puffend, de Macht, puffend, en glansde koortsig, in volle, vorstelijke lengte.

‘O, de jeuk, de glorieuze jeuk!’ brulde hij extatisch. ‘Ik kan niet wachten! Werk werk werk!’


Nog op diezelfde dag (lunchuur), na zijn rijke kijk in het diepste ge­heim zo persoonlijk met mij te hebben gedeeld, werd de Macht verdiend aan de speerpunten van een sierhek gespietst, een Überwurst op cocktailprik­kers, voor het oog van een klein publiek.


Wat was er in vredesnaam gebeurd?
























































Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen