zondag 12 juli 2009

De baksteen (3)



3.



    Op een lekkere vrijdagmiddag loopt Hubertus Ursel Blonk (16), roepnaam: Huib, over straat, op weg naar een paar uurtjes opgewekt vakkenvullen. Hoofdknikkend en hoofdschuddend, fluit de superpopulaire leerling van het Sint Aloysius en Stanislas College vol enthousiasme mee met zijn Egyptische flashPod. 
    Padewijn ziet hem naderen, al van verre.

    ‘Hij komt uit die steeg gelopen. O, zo’n gewone jongen: winterbleekjes nog, rooie schapenkrullen onder een gettopetje, z’n dunne o-benen stoer in spijker, joekels van schoenen eraan, ecovriendelijk, met zolen van herbenutte autobanden. Hij komt, ingekapseld in z’n eigen wereld. En niet zonder zwier…’
    En Padewijn vervloekt de rivier, zijn ouderlijke Waal, wier bodem hij heeft bewoond. Hij vervloekt de fabriek, die hem tot baksteen heeft geschoold.
    Niet God vervloekt hij, geenszins.
    Het waren mensen geweest, mensen.
    O, verheffen wil hij zich, meters boven de Markt uitstijgen!
    ‘Stel alstublieft de zwaartekracht voor één keer buiten werking, o HEER! Maak dat, voor deze ene keer, op deze ene plaats, Moeder haar koesterende greep uit voorzorg kan verslappen! Daar komt één van Uw en Haar kinderen aan, helemaal in de hemel, helemaal weg, en ziet mij niet, en hoort mij niet!’
    Waarom lìgt hij hier überhaupt, half onzichtbaar in de slagschaduw van Grotius’ granieten voetstuk, geslepen door de vervagende namen Nessel & Röhl, Berlin?! Welke nog door hem te delgen schuld heeft die verveelde jongeheren, slechts een avondje uit om alles lekker te vergeten, hem zo levensgevaarlijk doen verplaatsen? Daar nadert en nadert een blank en bloedjong schepsel, en ziet hem niet liggen, en hoort hem niet roepen!
    Esse est recipi. Zijn is ontvangen worden.
    Twan O. Padewijn, echter, zendt uit op buitenmenselijke frequenties.
    ‘Maar – mijn God, luistert U dan? Spreekt U tot hem?!
    Hij blijft staan, ja, hij blijft staan, bij het terras van pizzeria Coco Nino! Ach, net slinger je dodelijk de wanhoop in, en dan dìt…
    Halleluja!
    Kijk die knul nou toch eens grijnzen! Hij drinkt Uw blijde boodschap in, alsof z’n leven ervan afhangt…
    Maar dat doet het ook, dat doet het ook!
    Z’n tanden, hagelwit en beugelloos, zie ik daar stralen, mijn God, in een lach van oortje tot oortje, zo breed als dit prachtige plein!
    Halleluja!
    O, mijn humane, lollige HEER, ik moet er gewoon van giechelen! Deus viator, bent U dan komisch rappend in z’n flashPod gevaren? iGod-hop?!
    Hallelu
    NEE!

    Terugspoelen was niet mogelijk.
    Kenden velen het jeugdige slachtoffer, sommigen hadden plotseling de zondige baksteen gekend, loerend aan de voet.
    Maar niemand had wat gedaan.
    Onbegrip-Verantwoordelijkheid: 1-0.
    De ramp mondde dus al vijftig minuten later zeer gepast uit in de premier, die, door de plichtbewuste media uit het Torentje gelokt, live kwam proberen, in haar donkere deur, de gevoelens van alle Nederlanders ondemagogisch te vertalen.
    Na drie keer diep te hebben gezucht (blinde ogen kunnen immers geen stemming vertolken), zei ze hoofdschuddend:
    ‘Ik heb even geen tekst, beste mensen, gewoon even geen tekst.’
    Ze klonk oprecht aangeslagen.
    Camera’s bliksemden.
    Aarzelend en zoekend aanvankelijk, was de minister-president begonnen met haar aanzienlijk historische verklaring:
    ‘Toen het bericht ons daarnet bereikte, pats-boem! midden tijdens het bevolkingsmodificatie-spoedseminar, toen zaten we allemaal secondenlang totaal verbijsterd, geschrokken en vooral geschokt onze duimen te draaien, van BZK tot Cultuur. Dit laat je als bewindspersoon niet onbewogen. Wat zo’n steen toch bezíelt, God mag het weten! Het is allemaal niet te bevatten.     M’n oren vielen van m’n kop.’
    Pauze.
    ‘Ons hart is allereerst bij Huibs familie en vrienden. We denken en bidden. Die zitten daar nu met een groot en onvervangbaar verlies te worstelen. In dat mooie, maar arme Hoefbeek, dat alweer geteisterd wordt door zoveel onverdiend ongeluk.
Hoefbeek – het lijkt zo dichtbij, hè, vanuit Den Haag is het niks, met m’n dienstwagen ben ik er zo…
    En toch, toch is Hoefbeek nu voor een paar daagjes oneindig ver weg, helemaal alleen en geïsoleerd, in z’n eigen hoekje verschrikkelijke pijn.’
    Pauze.
    ‘M’n jongste zoon Rudolf studeert er Kennisbewaking. En ik haalde verleden jaar juist opgelucht adem, stiekem, dat-ie geen lid was van die sociëteit…
    Jaja, ik wéét dat zoiets akelig egoïstisch kan klinken. Tuurlijk. Maar welke ouder zal dit sentiment níet herkennen? Want laten we elkaar, als volwassen vrouwen en mannen, nou eventjes niks diets maken: niemand wil dat haar eigen vlees- en bloedbezit iets schadelijks overkomt! Toch?
    En vandaag, opnieuw dat afgrijselijke gevaar! Vandaag hadden mijn en uw zoon dus Huib Blonk kùnnen zijn, Huib, die nu jammergenoeg door z’n familie, vrienden en’
    De premier, die steeds verstikter was gaan klinken, viel stil, slikkend.
    Bliksemen.
    Eildert Boontjes, achter haar, naast een asgrauwe collega uit de vaderlandse veiligheidstop, kneep ernstig in haar schouder, onder de luid gefluisterde troostwoorden Rustig, maatje.
    Pauze.
    ‘Ik denk’, herstelde mevrouw Geusebroek zich weer, mat van grote emotie, ‘dat het voor de zuivere politiek ongepast is om zich van onnoemelijk leed ook maar een voorstelling te mógen maken.
    Naast de Blonks en aanhang, dus, gaan de gedachten tevens krachtig uit naar alle mensen in de rest van onze geweldige Nederlandse volkerengemeenschap, auto èn allo, vers èn rijp, naar al die honderdduizenden die – daar ben ik heel zeker van – nu enorm zullen willen gaan medelijden.’
    Ze beet hard in haar volle, roze onderlip.
    Bliksem.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen