zaterdag 23 mei 2009

Elegische ode aan het nachtelijk IJ

 

Wanneer ik Door het Oog van de Cycloon voltooid heb, wachten er nog andere projecten. Het Boek van de Voorstelling is er één van. In 1983 begon ik eraan te schrijven, in 1995 moest het definitief wijken voor wat uiteindelijk de Cycloon zou worden. In de eerste fase van mijn schrijverschap, beginnend in 1979, regeerde de poëzie mijn proza, waarbij geen enkel register werd geschuwd, ook niet dat van het bewuste archaïsme, zoals moge blijken uit het volgende fragment (Het Boek van de Voorstelling speelt ten dele in 1982, de nacht van 5 op 6 juni, dus het beschreven Amsterdam is al historisch). O ja, het werd ooit gepubliceerd in het tijdschrift Breuk, een publicatie van Willem Desmense (de Man van IJzer):


En alom wijd en diep, ex-zenuw en -as van Amstelredammes mogendheid en faam, deint het vuilrijk IJ. De loodsen, de dokken, de platforms voor laden en lossen, de pakhuizen, de kranen, alle zijn ze doods ten prooi aan meeuwen, ratten en sinaasappellicht. Onachterhaalbare tijd, die bijl, heeft waarlijk het mastenbos gekapt. De Sixhaven ginds? Ze is er de poverste, de popperigste echo van, met die jachtjes van plezier in haar bekken, die zo fier hun cocktailprikkers verheffen. Aangeplempt, omsluisd, bruut gescheiden van zijn grote broer de Zuiderzee, zelf ook zo snood met dijk en polder tot een meer verminderd: leeg en getemd ligt de grens van het Noorderkwartier. De dichters hebben de stroomgod afgedreven, en aldus verweesd en verwezen, is hij wel nooit het toetje van een schroef geworden, maar kelderde zijn domein van heilig tot verontreinigd. O IJ, ach god! Wrede spiegel! Soms, bij zeldzame fantasie, dan kan ik jou zien, zwaar beëeuwd, erbarmelijk vervallen, nog drie tanden, tussen de andere wrakken op de bodem, kan ik je nat zien dromen van wijlen de Amstelnimf (die toornig de Dam brest en teder haar monding biedt), bellen betoverjarige adem door het inktrijk der fabelen blazend, om daarna heeeel langzaam te ontwaken, triest en krukkig te herrijzen en her en der dan als blinkend schuim in zicht te stijgen, kale kruin brekend door de blauwzwarte schaal van ons IJ.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen